Jij draagt altijd een soort licht met je mee.
Niet groot of opvallend, maar een zachte warmte, iets waardoor mensen zich op hun gemak voelen als ze bij je zijn. Mensen komen dichtbij. Eerst voorzichtig, maar daarna blijven ze. Ze leunen op je, vertellen hun verhalen, zoeken rust in wat jij geeft. En jij geeft ook. Het voelt natuurlijk. Alsof dat jouw plek is.
Ergens onderweg begint het te veranderen.
Je wordt moe. Niet zomaar moe, maar diep vanbinnen, alsof er iets langzaam leegloopt. Toch blijf je geven. Want je denkt dat dat liefde is: er zijn, dragen, begrijpen.
Tot je merkt dat, wanneer het moeilijk wordt, jij degene bent die blijft staan. Jij vangt de spanning op. De pijn. De gevolgen. Alsof je een schild bent geworden, zonder dat je het doorhad.
Op een dag wordt het stil in jou.
Je kijkt niet meer naar wat anderen nodig hebben, maar naar wat er in jou over is. En je ziet het: jouw licht is er nog, maar het is dunner geworden. Voor het eerst voel je dat het niet de bedoeling is dat jij jezelf opbrandt om anderen warm te houden. Dus je doet iets kleins.
Je trekt je energie een beetje terug. Niet uit boosheid. Niet uit afstand. Maar uit zorg voor jezelf. En iets zachts verandert.
Jouw licht blijft. Het gaat niet uit zoals je misschien had gevreesd. Het wordt rustiger, steviger, meer van jou. Mensen kunnen nog steeds dichtbij komen, maar niet meer om zich te verschuilen achter jou.
Je begint te begrijpen dat grenzen geen muren zijn, maar vormen van liefde. En dat jouw licht niet bedoeld is om jou uit te putten, maar om jou, en de juiste mensen, werkelijk te voeden.
Divine Royalty

