Twee zielen ontmoeten elkaar
niet in het licht,
maar in de stille schaduwen
van wat ze hebben overleefd.
Ze dragen onzichtbare blauwe plekken,
oude echo’s van bijna-liefde,
namen die nog steeds fluisteren
door de kamers van hun hart.
Beiden reiken naar elkaar,
maar zachtjes, voorzichtig,
alsof de aanraking zelf
iets heiligs en pijnlijks kan heropenen.
De een spreekt in stilte,
de ander in stormen.
De een wacht op zekerheid,
de ander vreest de zwaarte ervan.
Tussen hen leeft
een delicate draad,
geweven van verlangen,
en de trillende hoop
om uitverkoren te worden.
Maar angst is een subtiele sluier.
Het verzacht de waarheid,
buigt woorden,
en verandert open deuren
in spiegelende muren.
Ze staan dicht bij elkaar,
zo dichtbij,
en zien toch verschillende luchten
door dezelfde horizon.
En zo, zonder te breken,
zonder verwijt,
vallen ze uiteen.
Niet bedoeld om te blijven bestaan,
kort en stralend,
waar zielen zich herinneren
wat het betekent
om te voelen.
Er blijft iets teder over:
een stil besef
dat ze, zelfs door niet te worden,
iets echts aanraken.
Divine Royalty

