Wanneer jij je diepste wond van afwijzing en verlating aankijkt, gebeurt het altijd in je lichaam.
Je merkt het nog vóór je gedachten wakker worden. Het begint als een warme gloed die door je lichaam voert, alsof een oud alarm spontaan aanslaat. Je hart slaat een tik over, dan nog één, en je borst voelt ineens te klein voor de lucht die je probeert binnen te halen.
Je ligt in je bed en voelt hoe je zenuwstelsel zich spant alsof je in een Finse sauna zit. Dit is het, weet je. Dit is die angst. Het kruipt langzaam omhoog langs je ruggengraat, warm en scherp tegelijk. Je schouders trekken naar voren, alsof ze iets willen beschermen dat diep in jou verborgen ligt.
Je sluit je ogen. De beelden komen niet als herinneringen, maar als sensaties. Het gevoel alleen gelaten te zijn in een veel te grote wereld, het gemis aan iemand die had moeten blijven. Er is geen gezicht, geen naam, alleen dat oude, rauwe besef dat jij er op dat moment niet toe deed. En zodra je dat aanraakt, voel je het meteen. Een hittegolf door je lichaam, een lichte duizeling in je hoofd. Je lichaam herkent de dreiging sneller dan je gedachten het kunnen verklaren.
“Je bent hier,” fluister je, precies wetend tegen wie je het zegt, tegen dat kleinere deel van jezelf of tegen de angst zelf. De warmte wordt sterker. Je handen voelen klam, je ademhaling versnelt, je keel vernauwt zich alsof er woorden zijn die je nooit hebt durven uitspreken.
Maar je blijft liggen. Je vlucht niet, zoals je vroeger altijd deed. Je kijkt de angst aan, precies zoals hij opkomt. Rauw, dierlijk, volledig lichamelijk. Je zenuwstelsel staat in brand, maar ergens daar doorheen voel je een klein, dun draadje van aanwezigheid. Van jou.
Je ademt dieper in. Met elke ademhaling lijkt je lichaam te ontdekken dat het misschien toch niet in gevaar is. De spanning zakt langzaam van je schouders en je buik verandert in een zachte puls. Je hart klopt nog steeds hard, maar minder chaotisch, alsof het beseft dat je blijft, dat je niet weggaat van jezelf, ook niet nu.
En precies daar, in dat moment, gebeurt iets onverwachts. Onder de laag van angst voel je verdriet. Zo oud dat het bijna teder aanvoelt. Alsof het al die tijd alleen maar heeft gewacht tot jij het weer durft aan te kijken.
Je opent je ogen. De kamer is nog hetzelfde, maar jij niet helemaal. Je voelt dat je weer iets hebt aangeraakt dat al jaren in je leeft. En hoewel het nog steeds spannend is, voel je ook een zachte trots.
Je hebt niet weggekeken.
Je hebt jezelf niet verlaten.
Voor het eerst in lange tijd voelt je lichaam niet als een vijand, maar als een plek waar een verhaal verteld mag worden, langzaam, eerlijk en in je eigen tempo.
Divine Warrior



