Wanneer ik mijn diepste wond van afwijzing en verlating aankijk, gebeurt het altijd in mijn lichaam.
Ik merk het nog vóór mijn gedachten wakker worden. Het begint als een warme gloed die door mijn lichaam voert, alsof een oud alarm spontaan aanslaat. Mijn hart slaat een tik over, dan nog één, en mijn borst voelt ineens te klein voor de lucht die ik probeer binnen te halen.
Ik lig in mijn bed, en ik voel hoe mijn zenuwstelsel zich spant alsof ik in een finse sauna zit.
Dit is het, weet ik. Dit is die angst.
Het kruipt langzaam omhoog langs mijn ruggengraat, warm en scherp tegelijk. Mijn schouders trekken naar voren, alsof ze iets willen beschermen wat diep in mij verborgen ligt.
Ik sluit mijn ogen. De beelden komen niet als herinneringen, maar als sensaties. Het gevoel alleen gelaten te zijn in een veel te grote wereld, het gemis aan iemand die had moeten blijven. Er is geen gezicht, geen naam, alleen dat oude, rauwe besef dat ik er op dat moment niet toe deed. En zodra ik dat aanraak, voel ik het meteen. Een hittegolf door mijn lichaam, een lichte duizeling in mijn hoofd. Mijn lichaam herkent de dreiging sneller dan mijn gedachten het kunnen verklaren.
“Je bent hier,” fluister ik, precies wetend tegen wie ik het zeg, tegen dat kleinere deel van mij of tegen de angst zelf.
De warmte wordt sterker. Mijn handen voelen klam, mijn ademhaling versnelt, mijn keel vernauwt zich alsof er woorden zijn die ik nooit heb durven uitspreken.
Maar ik blijf liggen. Ik vlucht niet, zoals ik vroeger altijd deed. Ik kijk de angst aan, precies zoals hij opkomt. Rauw, dierlijk, volledig lichamelijk. Mijn zenuwstelsel staat in brand, maar ergens daar doorheen voel ik een klein, dun draadje van aanwezigheid. Van mij.
Ik adem dieper in. Met elke ademhaling lijkt mijn lichaam te ontdekken dat het misschien toch niet in gevaar is. De spanning zakt langzaam van mijn schouders en mijn buik verandert in een zachte puls. Mijn hart klopt nog steeds hard, maar minder chaotisch, alsof het beseft dat ik blijf, dat ik niet wegga van mezelf, ook niet nu.
En precies daar, in dat moment, gebeurt iets onverwachts. Onder de laag van angst voel ik verdriet. Zo oud dat het bijna teder aanvoelt. Alsof het al die tijd alleen maar heeft gewacht tot ik het weer durf aan te kijken.
Ik open mijn ogen. De kamer is nog hetzelfde, maar ík niet helemaal. Ik voel dat ik weer iets heb aangeraakt dat al jaren in mij leeft. En hoewel het nog steeds spannend is, voel ik ook een zachte trots.
Ik heb niet weggekeken.
Ik heb mezelf niet verlaten.
Voor het eerst in lange tijd voelt mijn lichaam niet als een vijand, maar als een plek waar een verhaal verteld mag worden, langzaam, eerlijk en in mijn eigen tempo.
Wendy ![]()
![]()



